Rekenen met contant geld


Omgaan met contant geld of wisselgeld is een vaardigheid die je moet beheersen wanneer je bijvoorbeeld werkt in een winkel of op de markt. Het uitrekenen en teruggeven van wisselgeld mag niet verkeerd gaan. Hoewel tegenwoordig het geautomatiseerde kassasysteem het meeste werk voor je doet komt het nog steeds voor dat je moet hoofdrekenen.

1: INLEIDING

Als je contant geld aanneemt, bij een contante verkoop, dan is het belangrijk dat je goed kunt hoofdrekenen. Je wil geen fouten maken met het teruggeven van het wisselgeld om aan het einde van de dag een kasverschil over te houden. Dit geldt ook voor het personeel dat eventueel bij jou in dienst is. Dergelijke verliezen gaan direct ten laste van de winst. Een handige manier om je contante betalingen goed uit te voeren is op basis van 'doortellen'. Automatische kassasystemen doen hetzelfde. De scanfunctie van de kassa scant de barcode op het product en registreert het in het kassasysteem waarna het direct de prijs ophaalt uit de database. De prijs wordt getoond op de terminal van de kassa (beeldscherm) en ook op de kassabon na het afrekenen van het product. Betaal je contant dan vermeldt de kassabon ook het wisselgeld.

1.1 LEERDOELEN

Na het bestuderen van dit onderdeel bezit je de volgende kennis en vaardigheden:

  1. ● Je kunt uitleggen wat contant geld is en wat een contante verkoop is.
  2. ● Je weet wat wisselgeld is en je weet hoe je dit uitrekent.
  3. ● Je kunt uitleggen wat een kasverschil inhoudt.
  4. ● Je weet iets meer over hoe een geautomatiseerd kassasysteem werkt.
  5. ● Je weet hoe de rekentool contant geld werkt.

2: UITLEG

In Nederland worden nog steeds veel aankopen afgerekend met contant geld. Contant geld is het geld dat je daadwerkelijk in jouw portemonnee hebt en dat je uitgeeft als je iets koopt en dat contant afrekent. De aankoop van een producten of een dienst is voor de verkoper een contante verkoop. Mits jij contant afrekent. Hij of zij verkoopt jou iets en jij betaalt met euromunten of eurobiljetten. De koop kan alleen maar plaatsvinden als je over genoeg contant geld beschikt op dat moment. Beschik je over onvoldoende contanten dan kan de koop niet doorgaan. Overhandig je de verkoper meer contant geld dan de prijs van het artikel dat je wilt kopen is, dan krijg je wisselgeld terug. Het product kost bijvoorbeeld maar € 9,95, maar jij hebt alleen een briefje van twintig euro op zak. In de voorbeelden hieronder wordt dat nog duidelijker.

De euromunten en de eurobiljetten zijn:

€0,01 - €0,02 - €0,05 - €0,10 - €0,20 - €0,50 - €1 - €2 - €5 - €10 - €20 - €50 - €100 - €200 - €500

Als je wil weten welke eurolanden de euro als wettig betaalmiddel hebben ingevoerd, kijk daarvoor dan op de website van de Rijksoverheid. Nederland is een land waar veel wordt gepind. En niet zoveel contant wordt afgerekend. In andere Europese landen wordt contant geld veel vaker gebruikt. Bijvoorbeeld in het buurland Duitsland. In Nederland is er ook wetgeving die de het gebruik van contante betalingen beperkt. Vooral als het om grotere bedragen gaat. Pinnen wordt in Nederland bijna overal geaccepteerd.

2.1: Het geautomatiseerde kassasysteem

Als je in een winkel achter de kassa zit dan ondervind je vaak veel steun van het geautomatiseerde kassasysteem. Dit systeem telt voor jou de prijzen van alle producten automatisch op. Je hoeft van de producten vaak alleen maar even de barcode te scannen. Ook rekent het systeem direct het totaalbedrag uit dat de klant af moet rekenen. Dit kan de klant doen door te pinnen of door contant te betalen. Het gebruik van cadeaubonnen laten we even buiten beschouwing. Er ontstaat op z'on moment dus een contante verkoop, zoals je eerder al kon lezen.

Zodra de klant het geld aan jou overhandigt, toets jij het bedrag in op de kassa. De kassa rekent dan het verschil uit. Het verschil is het geld dat de klant jou geeft minus het totaalbedrag inclusief omzetbelasting dat afgerekend moet worden. Er zijn drie situatie's mogelijk:

  1. ● De klant betaalt gepast. Beide bedragen zijn exact gelijk.
  2. ● De klant rekent af maar overhandigt meer dan het totaalbedrag. Je geeft wisselgeld terug.
  3. ● De klant rekent af maar jij geeft als kassamedewerker per ongeluk teveel terug.

Tijdens de laatste situatie waarin je per ongeluk teveel wisselgeld teruggeeft, en de klant dit ook niet opmerkt of zegt, ontstaat er een zogenaamd kasverschil. Meestal merk je dit kasverschil pas op aan het einde van de werkdag. Er is dan een tekort aan kasgeld in de kassalade. Het kan ook zijn dat er meerdere kasverschillen op een dag ontstaan, of dat er een overschot aan contant geld in de kassa zit. In zo'n geval heeft de klant niet goed opgelet en teveel betaald. Vooral in situatie's met een klant die afwijken van normaal is het belangrijk dat je goed kunt hoofdrekenen. Je rekent dan snel een afwijkende betaling na in je hoofd. Je stelt jezelf de vraag: Klopt dit bedrag wel wat de kassa nu aangeeft?

2.2: Het opmaken van de kassa

Het opmaken van de kassa is een apart proces. De kasopmaak, zoals het ook wel wordt genoemd, bestaat uit een aantal handelingen waarbij er een z-afslag wordt gemaakt en het kassageld wordt geteld. Het opmaken van de eindrapportage doe je nooit alleen. Vaak gebeurt het samen met de winkelmanager. Omdat er met contant geld wordt gewerkt is tijdens dit proces belangrijk dat er sprake is van functiescheiding. Voor controle doeleinden wordt elke z-afslag bewaard. De volgende werkdag start je opnieuw met een beginvoorraad aan contant geld in jouw kassa.


3: VOORBEELDEN

1: Je betaalt contant aan de kassa en je krijgt wisselgeld terug.

Je wilt een trui kopen die € 24,95 kost. Je geeft de cassière drie briefjes van tien euro. Zij geeft jou een briefje van vijf euro en vijf eurocent terug. In dit geval reken je uit: € 30 -/- € 24,95 = € 5,05 wisselgeld.

2: Je werkt achter de kassa in een supermarkt.

Een klant rekent een mandje vol producten af. Het totale bedrag is € 84,75. De kassa geeft dit aan en de klant betaalt contant met twee briefjes van vijfig euro. Je tikt dit bedrag in en het kassasysteem rekent automatisch uit dat je de klant een bedrag van vijftien euro en vijf eurocent moet teruggeven. Dit heet het wisselgeld. In dit geval rekent het kassasysteem voor je uit: € 100 -/- € 84,75 = € 15,05 wisselgeld.

3: Je werkt achter de kassa in een bakkerij.

Een klant koopt twee broden en een kleine appeltaart. Het totale bedrag komt uit op elf euro en vijftig eurocent. De klant rekent af met de pinpas van de bank. Je hoeft in dit geval geen wisselgeld terug te geven. Zodra de pintransactie is voltooid kun je verder gaan met de volgende klant. In dit geval rekent het kassasysteem uit: € 11,50 te betalen door de klant. De klant pint € 11,50. Het wisselgeld is € 0.


4: NASLAGWERKEN

Begrippenlijst van A - Z

In de financiële begrippenlijst vind je alle woorden die in de tekst blauw zijn gekleurd. Met uitzondering van weblinks. Weblinks zijn te herkennen aan een streep onder het woord, en ze zijn klikbaar.

Wet- en regelgeving

In wet- en regelgeving vind je alle wetsartikelen en regelgeving. Je kunt deze woorden herkennen in de tekst aan hun paarse kleur.

Lijst met afkortingen

In de lijst met afkortingen vind je alle woorden die in de tekst oranje zijn gekleurd.

Je vindt deze naslagwerken in de menubalk. Ze openen in een apart tabblad dus kun je ze naast de theorie gebruiken.


5: TEST JE KENNIS

Je kunt nu een interactieve oefening maken waarbij automatisch jouw eindscore wordt uitgerekend. Klik daarvoor op oefenen onderaan deze pagina.


MEER REKENEN

Nu je de volgorde van bewerkingen kent kun je nog veel meer berekeningen leren maken. Een greep uit eenvoudige wiskundige berekeningen vind je hieronder. Je vindt er naast uitleg over het rekenonderwerp ook een handige rekentool. Bekijk het filmpje op YouTube met uitleg over hoe je de rekentool het beste kunt gebruiken. Ook vind je bij elk onderwerp een interactieve oefening zodat je de theorie goed 'onder de knie' kunt krijgen. De eindscore wordt na elke oefening automatisch uitgerekend en getoond.



+
-
:
x
%
=
BEREKEN HET WISSELGELD

Vul de gevraagde gegevens in en klik op berekenen.